- Hoge intellectuele vermogens: intelligentie die boven het gemiddelde ligt, vaak gemeten met een prestatie- of intelligentietest, meestal uitgedrukt met een intelligentiequotient (IQ).
- Taakgerichtheid en volharding (motivatie): doorzettingsvermogen om een taak te volbrengen.
- Creatief vermogen: het vermogen om op een originele en vindingrijke wijze oplossingen voor problemen te bedenken.
Mönks onderscheidt in zijn model naast deze drie aanlegfactoren nog een drietal omgevingsfactoren die van invloed zijn op het tot uiting komen van (hoog)begaafdheid. Deze factoren hebben betrekking op de invloed van gezin, school en vrienden (de omgeving) op de ontwikkeling van (hoog)begaafd gedrag.
Heller en Gagné onderscheiden kenmerken en factoren die van invloed zijn op het tot uiting komen van (hoog)begaafdheid. Ook hier zijn omgevingsfactoren medebepalend voor het uiteindelijke niveau waarop (hoog)begaafdheid tot uiting komt. Daarnaast zijn ook niet-cognitieve factoren medebepalend voor het uiteindelijke niveau en terrein waarop de (hoog)begaafdheid tot uiting komt. Zo zal bijvoorbeeld een leerling met bovengemiddelde intellectuele vaardigheden, die faalangstig is, minder goed presteren dan een leerling met dezelfde intellectuele mogelijkheden, die niet faalangstig is.
Een theorie die binnen het onderwijs steeds meer in de belangstelling staat, is de theorie van meervoudige intelligentie van Howard Gardner. Volgens Gardner beschikken alle mensen over kwaliteiten (of "vormen van intelligentie"), waarmee de kennis en vaardigheden van mensen getypeerd kunnen worden. Intelligentie heeft vooral betrekking op de bekwaamheid om problemen op te lossen, vragen op te roepen, of iets te vervaardigen (bouwsel, schrijfsel, contact, product), in een natuurlijke, betekenisvolle omgeving.